„Entweder du kommst oder nicht, ich freue mich“

 

Cliënt in de spreekkamer. Senior. Staat van dienst. Groot geworden in de professionele dienstverlening. Meegebouwd aan een gerenommeerde club. Hij vertelt z’n verhaal: valse start door een ingewikkelde jeugd. Daardoor laatbloeier. Hechtingsproblematiek zowel buiten (geen fit met z’n omgeving, gepest) als binnen (goedbedoelende ouders met hun eigen trauma). Vroeger was een kwestie van overleven. Stopt alles weg.

Rond z’n 21e start een onbepaalde inhaalrace. Andere omgeving. Stad, studies. Nieuwe vrienden inspireren. Vriendin wijst de weg. Het is wel een lange weg. Stapelen. Moest daarvoor veel bijlenen en -werken. Grootse studielening lukte bij z’n baas. Die zag het in hem zitten. Eeuwig dankbaar voor die kans.

Gedreven om er wél bij horen, om niet alleen te zijn. Z’n drive werkte; bouwen, stijgen, winnen! En altijd was er een volgende ‘ladder’ om door te klimmen naar iets nog groters, mooiers, beters. Alles voor geluk. Consultancy werd zijn ding. Hoogste niveau. Onder hoge druk presteren. Elke dag in de arena, elke dag leren. Maakt het verschil met de combinatie van hard en zacht. Wel veel push. (Over-)leveren. Waarmaken, daardoor trouwe relaties.

Ondernemend, drijvende kracht, altijd aan, absurde werkweken. Hij is veeleisend voor zichzelf en anderen. Daarmee jaagt hij mensen soms over de kling. Twee gezichten; extravert en streng. Z’n intensiteit en tempo genereren oogkleppen. Er ontstaat ook schade. Hemzelf blijft een burn-out, wonderwel, bespaard.

Dankzij psychodynamica ontstaat een belangrijk inzicht; binnen- en buitenwereld zijn niet congruent. Blijkbaar vanaf jongs af aan nooit geweest. Onbewuste patronen, verborgen emoties en weggestopte pijnen komen aan het licht. Zelfkennis door zelfreflectie. Manfred Kets de Vries zou zeggen ‘self-awareness; not knowledge (from) what’s around, but from within”[1]. Je binnenwereld bepaalt wat je ziet, denkt, voelt en daarmee doet.[2] Jezelf bewust zijn bevordert authenticiteit, aantrekkelijkheid en (gast-)vrije communicatie met je omgeving. Die je vervolgens weer spiegelt zodat je kunt worden wie je bent.

Inmiddels opereert hij -nog steeds uiterst professioneel- meer vanuit wat zich aandient. Hij laat ‘ladders’ voor wat ze zijn. Naast bestuursadvies is zo, als vanzelf, mond-op-mond, een coaching-praktijk ontstaan. De drive zit niet meer in een volgende ladder maar in het privilege boards en -leden vanuit een diep persoonlijk vertrouwen terzijde te staan. Kwetsbaar, congruent, bewust(er), dankbaar. Een groot genoegen en een groot goed. Met kennis van zaken en gevoel voor mensen.

Geen push meer, meer een gastvrije kritische vriend. Een treffend Duits gezegde; ”entweder du kommst oder nicht, ich freue mich[3]”. Gastvrij, welkom. Maar voel je vrij. Als je komt doe ik alles dat ik kan. Ik verheug me, maar ben alleen ook gelukkig.

U raadt het al, deze cliënt was ikzelf. Hopelijk inspireert dit vehaal je ontwikkeling. Er (meer) uithalen wat erin zit. Welkom in Maarn[4], feel free!

 

 

[1] Twee aanraders van Manfred Kets de Vries; ‘the reflective leader within’ en ‘leading from inside out’.

[2] Aanrader van Richard Barrett; ‘the architecture of human consciousness’.

[3] “Of je komt of niet, ik verheug mij in beide gevallen”.

[4] Studio Koetshuis ‘t Stort, Amersfoortseweg 7 Maarn, 0653193747

Hoe om te gaan met de ongemakkelijke noodzaak van samenwerking

 

Na iedere ramp evalueren we wat er beter moet. Brandweer, politie en zorgdiensten hadden beter moeten samenwerken. Bij drama’s in de jeugdzorg blijkt dat betrokken instanties elkaar onvoldoende hebben gevonden. En vrijwel elke parlementaire enquête kent de voor de hand liggende conclusie; partijen hadden eerder informatie moeten delen en beter moeten samenwerken. We leren. En steeds hetzelfde. Samenwerken moet!

Niet alleen tussen, ook ín organisaties is samenwerking de oplossing voor vrijwel iedere serieuze opgave. Niemand is tegen. Toch gebeurt het onvoldoende. Dat komt misschien doordat samenwerking iets ongemakkelijks vergt. Een ziekenhuis kan uitstekende individuele zorg leveren, maar collectieve gezondheid ontstaat vooral door samenwerking met (huis-)artsen en instellingen in de regio. Dat betekent aanpassen, rekening houden met andere belangen, tempo’s, budgetten, taal en gewoonten. En, ook ongemakkelijk, voor je succes afhankelijk worden van een ander. Samenwerken is een ongemakkelijke noodzaak.

Omdat we weten dat het moet, gaan we het organiseren. We tekenen ketens, convenanten en overlegstructuren. We bouwen stuurgroepen, verdelen verantwoordelijkheden en maken afspraken. Ongemerkt maken we zo van samenwerken een verplichting. Je móét afstemmen. Je móét informatie delen. Je móét het gezamenlijke belang dienen. Dat klopt, maar zodra mensen iets móeten zijn ze minder gemotiveerd. En zodra ze naar hun gevoel iets moeten inleveren, gaan ze harder bewaken wat ze hebben.

Echte samenwerking begint aan de andere kant. Niet bij de verplichte structuur of afspraak, maar bij het verlangen naar iets groters dan jezelf. Iets voor elkaar krijgen dat je alleen niet kunt. Dan vormt afhankelijkheid geen bedreiging, maar een mogelijkheid. Niet: wat moeten wij samen? Maar: wat kunnen wij samen dat mij alleen niet lukt?

Het is het verschil tussen ‘vogelvrij’ en ‘vrije vogel’. Beiden zijn vrij, maar vanuit een diametraal andere betekenis. Vogelvrij is onbeschermd en opgejaagd. Een vrije vogel beweegt juist ongedwongen. Veel samenwerking organiseren we als het eerste. Hoezeer we de missie gemeenschappelijk proberen te maken, wordt samenwerking ervaren als opgelegd pandoer. We hebben meer het tweede nodig. Minder samenwerking organiseren als doel op zich maar organiseren dat mensen het willen. Samenwerken is een goed middel als het gezamenlijk resultaat aantrekkelijker is dan (de som van) de eigen verworvenheden.

Deel daartoe verantwoordelijkheden en geef de ruimte om daarnaar te handelen, over grenzen heen. Overtuig elkaar niet vanuit het eigen gelijk maar help elkaar in goede dialoog, nieuwsgierig naar wat de ander kan bijdragen. En beloon wie het geheel verder helpt, ook als dat ten nadele van de eigen toko lijkt.

Samenwerken, niet omdat het moet, maar omdat het oplevert. Dan voelt het niet als inleveren. Vrije vogels moet je niet verplichten hoe te vliegen. Met de goede motivatie vliegen ze in vrijwillige formatie naar de gemeenschappelijke bestemming.

De volgende enquête zal ongetwijfeld opnieuw concluderen dat we beter hadden moeten samenwerken. Misschien willen we er deze keer iets anders van leren? Samenwerken moet niet, maar is aantrekkelijk.

 

 

 

 

Zie meer columns en info over mijn dienstverlening op:

www.theartofthetop.nl  (coaching)

www.kritischevriend.com  (bestuursadvies)

www.interviewdiner.nl  (interviews en moderatie)

Bedrijven hebben behoefte aan minder regels. Dat lukt alleen als ondernemers en bestuurders zelf ook een oorzaak van regeldruk aanpakken: risicoaversie. Ze moeten ondernemender opereren; van ‘safety first’ naar ‘comply or explain’, schrijft Peter de Bruin.

Werkgevers in Nederland ervaren regels als veel, strijdig en inconsistent en de administratieve lasten ervan als kostbaar. Regeldruk en controles zijn slecht voor de economie, zo becijferde de organisatie van geïndustrialiseerde landen, de Oeso, ook al.

Ook werkgeversvereniging AWVN toonde deze maand in een uitgebreid rapport de noodzaak tot ‘ontregelen’ aan. Het kabinet zet ook in op regeldrukreductie, hoewel het eerder gestelde doel – vijfhonderd regels minder voor de zomer – niet is gehaald. Tot nu toe is het gelukt om 403 regels aan te pakken, zo liet het ministerie van Economische Zaken in juni weten.

Toch moeten we voor een betere concurrentiepositie meer doen dan alleen regels verminderen. Daarvoor moeten we ook kijken naar de manier waarop we in Nederland met risico’s omgaan. Daar valt nog veel winst te behalen.

Onze bedrijfscultuur

Verschillende onderzoeken – onder meer van de Algemene Rekenkamer en de Oeso – wijzen op een Nederlandse bedrijfscultuur waarin het voorkomen van fouten, het vermijden van risico’s en het kunnen afleggen van verantwoording het belangrijkste is. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) signaleert in 2025 bovendien een cultuur waarin procedures belangrijker zijn geworden dan professioneel oordeel.

Anders omgaan met risico is voor bestuurders daarom minstens zo belangrijk als regeldrukreductie. Dat is immers in essentie de verantwoordelijkheid van bestuurders; een goede afweging maken tussen kans en risico. De regels zijn een symptoom van het probleem. Het is zeker noodzakelijk ze aan te pakken. Maar niet zonder de onderliggende oorzaak ook onder de loep te nemen, namelijk onze risicomijdende behoefte aan bescherming.

Creëren en beschermen

De economie bestaat grofweg uit twee delen: een waardecreërend en een waardebeschermend deel. Ondernemers, onderzoekers, zorgprofessionals, ingenieurs en vakmensen bedenken, bouwen en leveren producten en diensten. Zij creëren waarde.

Daarnaast staan toezichthouders, handhavers, controllers, accountants en compliance officers. Door te controleren, te certificeren, te auditen en te reguleren beschermen zij waarde: tegen bijvoorbeeld fraude, brand, ongelukken, marktfalen of datalekken. Zij werken aan veiligheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid, duurzaamheid, gelijkheid en andere maatschappelijke waarden.

Deze beschermende economie is geen luxe. Vervat in procedures, examens of controles vormen wetten, regels, kwaliteits- en veiligheidsnormen en accountancygrondslagen de basis voor het vertrouwen in het economisch verkeer.

Omdat het onderscheid tussen waardecreërende en waardebeschermende economie niet goed in sectoren is te demarqueren (zo kan bijvoorbeeld een softwarebouwer aan beide zijden werken) is er geen zuivere economische maatstaf of quote om de verhouding tussen beiden te meten.

Met een aantal eenvoudige vingeroefeningen op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de inschatting te maken dat grofweg 22% tot 32% van alle arbeid gericht is op beschermende functies, maatregelen en activiteiten. Objectief gesproken weten we niet of dat veel of weinig is. We weten niet goed wat bescherming kost.

Omslagpunt

Wél is te beredeneren dat de marginale opbrengst van extra bescherming afneemt. Dat is belangrijker.

Tot een bepaald punt verhogen regels, procedures en toezicht de productiviteit doordat zij vertrouwen en stabiliteit creëren. Daarboven gaan extra tijd en middelen in toezicht, compliance, audit, risk en control ten koste van arbeid en kapitaal die ook voor creatie en productie ingezet hadden kunnen worden. Onderzoek van de Oeso over de verhouding tussen compliancekosten en productiviteit bevestigt de aanname dat zodra de beschermende economie sneller groeit dan de producerende economie, de economische groei relatief afneemt.

Dit nodigt uit, of dwingt zelfs, onze risicobenadering in brede zin onder de loep te nemen zodat niet elk risico in regels, normen en controle wordt gevat. Het is ook de reden waarom werkgeversvereniging AWVN het kabinet helpt om met een kapmes in het woud aan regels te hakken.

Maar ook in bestuurskamers en aan toezichttafels is werk aan de winkel. Ook daar zijn we vaak meer bezig met het voorkomen van risico’s en fouten dan met het benutten van de (kans op) het goede. Ook daar gaat per saldo veel tijd, talent en geld verloren aan bescherming, terwijl die ook een bijdrage hadden kunnen leveren aan het benutten van mogelijkheden voor innovatie en groei.

De economen Miriam Schwartz-Ziv en Michael Weisbach deden uitgebreid onderzoek in vele feitelijke notulen van bestuursvergaderingen. Daaruit blijkt dat maar liefst twee derde van de besproken onderwerpen toezichthoudend of controlerend van aard was.

Verlies weegt zwaarder dan winst

De psychologie van onzekerheid is oorzaak van deze beschermende reflex, ook aan de bestuurs- en toezichttafels. De psychologen Daniel Kahneman en Amos Tversky toonden met de prospecttheorie aan dat mensen verlies psychologisch zwaarder ervaren dan een winst van vergelijkbare omvang. Risico’s worden overschat, kansen meestal onderschat. Daarbij komt dat mensen niet aangesproken willen worden op (bijna) fouten en liever geen verwijt willen krijgen. Zo geven adagia als ‘safety first’ en ‘voorkomen is beter dan genezen’ blijk van onze risicoaverse cultuur.

Mede hierdoor hebben regels en procedures al snel de neiging een doel op zichzelf te worden, met controle op controle tot gevolg. Dan is een systeem van vinkjes en parafen snel geboren. De norm is verschoven van ‘voldoende beheerst’ naar ‘maximaal afgedekt’. Een fout of ongeluk leidt dan tot een nieuwe regel of extra controle. Veel budgetten ontlenen er bestaansrecht aan, dus afschalen is ingewikkeld.

De oplossing

Bestuurders kunnen ondernemender met risico’s omgaan door hun discretionaire bevoegdheid beter te benutten. Dat is de ruimte om af te wegen, af te wijken, prioriteiten te stellen en uitlegbare verantwoordelijkheid te nemen voor uitzonderingen die de regel bevestigen. ‘Comply or explain’ (pas toe of leg uit) kennen we als onderdeel van de corporate governance code voor goed bestuur, maar geldt in feite voor velerlei risicoafwegingen waar regels of procedures mee gemoeid zijn.

Dit is geen pleidooi voor burgerlijke of bestuurlijke ongehoorzaamheid, noch een aanval op regels. Dit is een aanmoediging om als bestuur ondernemender te opereren en het accent te verleggen van ‘geen fouten willen maken’ naar ‘het goede willen doen’ door in de risicoafweging naast de regels en procedures óók het professionele oordeel mee te wegen. En om, waar dat kan, samen met toezichthouders te overleggen over de relevantie en proportionaliteit van regels respectievelijk sancties.

Bestuurders die dat doen, bouwen stap voor stap aan een cultuur waarin problemen onmiddellijk en zonder schuldvraag boven water komen en in gezamenlijke risicoafweging worden opgelost. Dat vraagt om besluiten multidisciplinair te wegen, met ruimte voor uitleg en feedback, én de psychologische veiligheid die daarvoor nodig is. Ook vraagt het om besluiten te monitoren om nadien te leren van hun afwegingen.

Hoogleraar Leiderschap Amy Edmondson toonde eerder al ondubbelzinnig aan dat er een duidelijke relatie bestaat tussen enerzijds een cultuur van leren van fouten in psychologische veiligheid en anderzijds innovatie en waardecreatie. Procedures zijn belangrijk, maar het professionele oordeel blijft doorslaggevend.

Voorbeelden

Multinationals als Toyota en ASML, maar ook organisaties als thuiszorgorganisatie Buurtzorg of de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), hebben met de combinatie van een hoogwaardig kwaliteitssysteem én een op vakmanschap gebaseerde leercultuur het vermogen om verstandig risico’s te nemen. Van ‘safety first’ naar ‘comply or explain’. Het zijn mooie voorbeelden van meer ondernemend besturen.

Met zo’n mindset zal het trouwens voor politiek Den Haag ook gemakkelijker zijn om regels te schrappen.

Peter de Bruin is bestuursadviseur, coach en toezichthouder.

Wilt u liken, forwarden of reageren, zie dan hier de versie van deze opinie op Linked In.

In gesprek met een ondernemer                                                    

 

Je werkt hard, wat is jouw drive?

Rijk worden, zodat ik kan genieten en m’n kinderen later niet hoeven te werken;

 

Heeft je vader dat ook zo voor jou gedaan?

Nee nee nee, wij waren thuis arm;

 

Dus jij wilt er iets meer van maken?

Ja, dat kan een stuk beter;

 

Is het normaal om er als vader voor te zorgen dat je kids niet hoeven te werken?

Voor mij wel, ik moest het zelf doen, en alleen;

 

‘Zelf én alleen’, dat klinkt als een flinke effort.

Klopt, het was lastig,
echt een flinke last om me te bewijzen;

 

Is die last nu van je schouders?

Ja, ik heb geen bewijslast meer;

 

En zo’n levensloop wil je je kinderen niet aandoen, daarom werk je zo hard?

Ja, nou, gewoon, dat ze het niet zelf hoeven te doen. En daarnaast ben ik ook nog gewoon een ondernemer met goede ideeën;

 

Waar komen die ideeën vandaan?

Wat is dat nou voor ‘n vraag,
dat weet ik toch ook niet;

 

Je maakt steeds een succes van je ideeën, hoe doe je dat?

Ja, dat is een kwestie van handig zijn, fingerspitzengefühl, ervaring, doorzettingsvermogen,…;

 

Is dat ook iets dat je je kinderen gunt?

Ja, nou, ze hebben ze talent en doorzettingsvermogen wel nodig om in deze wereld te overleven;

 

Hoe gaan ze die talenten erven?

Nee, talent kun je niet erven, die moeten ze werven;
dat laat ik ze bij mij in de zaak doen;

 

Gaan ze zo worden wie ze zijn?

Hoe bedoel je?

 

Als ze zelf hun talenten moeten ontwikkelen, is jouw zaak dan hún beste route?

Mmmm, misschien wel niet, hoe meer ze krijgen, hoe minder ze verdienen;
Ik leer, ze moeten het dus wel zelf doen;

 

Wat zegt dat over je drive?

Ze moeten het zelf doen, maar ze hoeven het niet alleen te doen.
Zij zijn zelf verantwoordelijk maar ik kan helpen.

 

Hoe ziet dat er dan uit?

Ik laat zien dat als je je talent ontwikkelt, en er iets van maakt, er later ook echt wat te genieten valt!

Maar ze moeten het zelf bewijzen, net als ik.

 

Wat zijn de verschillen tussen toen en nu?

Ja, mijn bewijs was een last, een ladder zonder rugsteun. Nooit meewind. Sterker, een trapeze zonder vangnet!
Het was extrinsiek, ik moest bewijzen dat ik iets waard ben.

En nu, de lust?

De lust om te worden wie je bent,
nog steeds hard werken, maar dan anders.

Zij mogen vallen, ik vang ze op. Zelf maar niet alleen, ze kunnen op mij rekenen, als ze hun best doen;


Het is meer intrinsiek: ontdekken en bewijzen waartoe ze in staat zijn;

Mijn bewijs was een last, hun bewijs mag een lust zijn;

Bewijslust!!

Op de lagere school werd ik bij voetbal als laatste uit de groep gekozen. Dat lag niet alleen aan mijn balgevoel. Ik hoorde er gewoon niet bij. Wat ik ook deed, bij teamvorming werd pijnlijk duidelijk wat mijn plek was. Nou is het Nederlands Elftal nooit mijn jongensdroom geweest, maar erbij horen wel.

Van nature zijn mensen uit op gemeenschap. Het kenmerk ervan, het woord zegt het al, is dat de leden iets gemeen hebben. Ingoup / outgroup! Jeugd is daarin eerlijk, hard. Op latere leeftijd worden we wat aangepaster. We spelen dan snel een rol, wat de werkelijkheid niet ten goede komt.

Uitgesloten worden levert ook op. Een karakter met veerkracht, leer- en doorzettingsvermogen, bijvoorbeeld. Ook ik heb daarmee mijn pad gevonden, weg-bewegend van groepen waar ik blijkbaar niet bij hoorde. Steeds weer vond ik een ladder om hoger te klimmen, onderweg naar gemeenschappen waar ik beter op m’n plek was.

Je kunt rustig zeggen dat ik een groot deel van mijn carrière aan die drive te danken heb. Terugkijkend kan ik vaststellen dat ik veel heb geleverd uit de angst om alleen te zijn. Om niet afgewezen te worden kon ik maar beter ergens de beste in zijn! En dat is goed gelukt. Enorm trots, maar ik zie inmiddels ook een ongezond deel in die drive. Wanneer is het genoeg, bijvoorbeeld?

De psychologie leert ons dat mensen angsten kennen die gebaseerd zijn op vroegere ervaringen. Die spelen in het heden niet meer, maar zorgen nog wel voor een primaire reflex. Waar dat nadelen kent, thuis of op het werk, is het gezond de oorzaak te onderzoeken. Wat je heeft gevormd, hoeft je niet te blijven sturen. Fanatieker gezegd; heb jij je angst, of heeft je angst jou? Het verschil tussen oogkleppen en een brede blik.

In mijn praktijk tref ik veel bestuur en management dat elkaar de tent uitvecht om hun gelijk, positie of euro’s. Op papier een gemeenschap, met een strategie en persoonlijkheidsprofielen. Maar in het écht? Wat maakt dat iemand zoveel effort stopt in een baan? Dat is zelden het commitment aan de strategie, hoe mooi dat als antwoord ook klinkt. Eronder liggen persoonlijke verhalen, veelal met de dynamiek van vroeger. Op zoek naar erkenning, ertoe doen, niet willen falen, … .

Hoewel discussies in de boardroom vooral inhoudelijk zijn, zit het échte conflict dieper. Onder de standpunten zitten ambities en drijfveren. En dus ook persoonlijke zorgen. Échte verbinding ontstaat wanneer die worden gedeeld. De voorzitter die ruimte maakt voor het gesprek ‘onder de strategie’, investeert rechtstreeks in de kwaliteit van het team.

De harde lessen van vroeger hebben mij veel gebracht, maar ik word er niet meer door gedreven. Ik ben niet meer bang om alleen te zijn. Daarbij, aan mij is geen topvoetballer verloren gegaan. Onze Nederlands Elftal spelers werden op hun lagere school vast niet als laatste uit de groep gekozen. Als team komen ze dit WK het verst als ze ‘onder de strategie’ hun échte verhalen delen. De angst om te verliezen misschien…..

Van richting veranderd, goal! Het publiek juicht, maar de scheidsrechter vraagt de VAR er nog even naar te kijken. Deze maand is beslissend in veel competities, veel finalepotten. Prachtig om te volgen.

Respect voor de scheidsrechters. Zij moeten in een split-second keuzes maken tussen in of uit, overtreding of niet, goal of geen goal,….. Meestal geen zwart-wit situaties. Met de regels in de hand interpreteren zij, onafhankelijk, wedstrijdsituaties en bepalen de grenzen van het spel, naar de geest van de wedstrijd.

Daarom is een VAR (Video Assisted Referee) een nuttig hulpmiddel, een ‘extra-line-of defence’. De VAR maakt het mogelijk het aantal menselijke fouten terug te dringen. Er zijn verschillende toepassingen maar in essentie kan een derde scheidsrechter met camerabeelden de scheidsrechter van een advies voorzien. Ook de VAR maakt fouten, maar per saldo is topsport er eerlijker van geworden.

Ook in besturen gelden regels; wettelijke kaders en ook morele gedragsnormen. Net als bij sport zijn de meeste situaties meer grijs dan zwart-wit. Governance-codes en accountant-grondbeginselen ten spijt, het is voer voor interpretatie. Vandaar dat er steeds meer aandacht is voor ‘boardroom-dynamics’ om het interprofessionele proces tussen alle CXO’s te kunnen beoordelen. Als er in de boardroom hygiëne en zelfcorrigerend vermogen is, zijn de besluiten beter, is de redenering.

Er zijn grote verschillen tussen het sportveld en de bestuurskamer. Om te beginnen zijn bestuursleden niet elkaars tegenstander, laten we daarvan uitgaan. Wel kunnen er, ondanks het gemeenschappelijke belang, grote verschillen zijn in stijl, tempo, visie, volgordes, etc. Daarom kan het aan de directietafel goed knallen, en dat is goed. Complementaire competenties zijn de manier om goed beleid tot nog betere uitvoering te brengen. Maar dan moeten ze wel verbinden.

Een ander verschil is dat de boardroom geen onafhankelijke scheidsrechter kent. Er is niemand die toeziet op de toepassing van de regels, anders dan de leden zelf, en in het bijzonder de bestuursvoorzitter. Vergelijk, de aanvoerder van het team. Er is wel een toezichthouder buiten de lijnen, de RvT/RvC! Een belangrijke rol met veel toewijding, maar wel op afstand.

Is een scheidsrechter die toeziet op bestuurlijke hygiëne binnen de lijnen handig? Dat mag elke board gelukkig zelf uitmaken. Maar ik opper toch het idee in belangrijke gevallen een onafhankelijke 2e-lijns, toe te voegen. Iets of iemand, ter ondersteuning aan de bestuursvoorzitter, die desgevraagd advies geeft in situaties die dat vergen. Een soort “bestuurs-VAR”.

Dit hoeft natuurlijk niet letterlijk, met opnames van de bestuursvergadering. Zoek vooraleerst de menselijke oplossing. Door een van de bestuursleden die rol te geven of met een onafhankelijke expert als fly-on-the-wall. Op initiatief van een van de aanwezigen kan een advies gevraagd worden. Alleen al die mogelijkheid om te kunnen raadplegen, gaat de bestuurlijke hygiëne bevorderen.

Een manier om aan de bestuurstafel te reflecteren op het voorafgaande is geen gekke maatregel. Niet altijd, maar in belangrijke gevallen bijvoorbeeld. Gevallen van een finale, net als in de topsport. Daar werkt het goed. Kijk maar komend weekend.

De organisatie komt uit een turbulente fase. En die komt er ook weer aan. Wat te doen in het oog van de storm? Herstellen? Bezinning? Nieuwe plannen? Teambuilden? Allemaal! De directievoorzitster wil zich in deze periode van relatieve rust druk maken om te leren. Immers, het team heeft geleverd, maar ook fouten gemaakt. En de samenwerking kan stukken beter. Spreekwoordelijk ligt het bootje nu even in de haven, maar iedereen weet, het lange buffelen heeft veel tol geëist. De boot moet straks weer de haven uit. De beseft dat ze de volgende storm samen anders aan moeten vliegen, willen het bedrijf en de mensen het overleven. De markt kent geen mededogen. Het verandervermogen moet drastisch omhoog.

Ze kiezen voor de T.O.P.-benadering. Een ontwikkeltraject met drie onlosmakelijk verbonden elementen: het Team, het Plan en de Ontwikkeling van beiden. Dat betekent veel quality time met key-players, in de vorm van een serie twee/-driedaagsen, op de heide. En huiswerk tussendoor. Op de agenda wisselen persoonlijke en teamontwikkeling enerzijds en wat willen we wanneer bereiken anderzijds elkaar af. Eerst terugkijkend, het debriefen van de afgelopen jaren. Wat ging goed, wat moet beter en hoe doen we dat? Wat stond betere samenwerking in de weg? Hebben we qua producten en usp’s de juiste keuzes gemaakt? Waarom komen we niet mee met de concurrentie? Met tenslotte ook aandacht voor systemische vragen als de bewustwording van onze patronen in historisch perspectief.

Dan vooruitkijkend. Het klassieke rijtje van missie, visie, strategie, technologie en competenties. Maar daarvan dan alleen de essentie, zoals, in welke (technologische) innovaties moeten we vooruit willen lopen? Wetende dat onze omgeving morgen weer iets anders vraagt, kunnen we de tijd beter besteden aan hoe we dit plan en de teamafspraken door-ontwikkelen? De veranderstrategie is belangrijker dan de strategie.

Ze bouwen aan een governance die wendbaarder is met transparante ‘B.O.B.E L.-processen’; Beeld-, Oordeels- en Besluitvorming, Executie-monitoring en Leren. Hoe spreken we af, hoe spreken we ons uit en hoe spreken we elkaar aan, zijn belangrijke vragen. Ze bepalen de rolverdeling die het beste past bij hun competenties. Er ontstaat vertrouwen; ‘ik reken op jou en jij mag op mij rekenen’.

De werkvormen ‘op de Heide’ verschillen. Met bijvoorbeeld een wandel-expeditie, attentie voor levensverhalen en samen een kunstwerk maken om elkaar te vinden en verbinden. Er ontstaan relaties op een (emotioneel) dieper niveau. Belangrijk voor straks, in het echie. Werkvormen aan de meer inhoudelijke kant zijn meer rationeel van aard: over de stip aan de horizon en wat we aan boord mee moeten nemen om adaptief te zijn in koers en tempo. Maar gaan ook over het combineren van inhoud en intuïtie.

De boot vaart inmiddels weer op volle zee. De eerste kleine stormen doorstaan. Met name het leren (de L van B.O.B.E.L) werpt z’n vruchten af. Dit team spreekt af, uit en aan. Eerlijke lessen over wat morgen beter kan. De voorzitster zegt “laat de echte stormen maar komen, wij zijn er klaar voor”.

Wat te doen in het oog van de storm? T.O.P.!!

 

 

 

 

Met een beetje pech kijken we als een stel konijnen in de koplamp van de naderende derde wereldoorlog. Naast de serieuze brandhaarden en steeds meer ronkende taal van wereldleiders schudt het NAVO-bondgenootschap op z’n grondvesten. Donald Trump ontvouwt zijn oorlogsretoriek bijna achteloos. Het zijn dagkoersen.

In een eerdere column vergeleek ik de Amerikaanse president met een Bully op het schoolplein. Inmiddels zijn er ook andere kampen zichtbaar geworden. De ‘clans’ van Poetin, Netanyahu en Xi beheersen ook een deel van dat schoolplein. En ze beheersen zich slechts tot het moment dat ze de kans schoon zien hún nieuwe wereldorde te vestigen. Een explosief mengsel.

Toch zet Europa slechts schoorvoetend stappen richting eenheid. Zoals zo vaak gaan goede intenties gepaard met principes en praktische bezwaren (vrij naar Lucebert). Stroperig, het is nog lang wachten op onze som der delen. Wij, Nederland, zijn bij-figuren op dat schoolplein. We hebben weinig macht, wel invloed. Mits we niet te druk met onszelf zijn.

Als we geen konijn in de koplamp willen zijn moeten we in actie komen. Wij kunnen Europese eenheid niet afdwingen en zijn niet bij machte een derde wereldoorlog te voorkomen. Wel kunnen we de schaarste en pijnen van een wereldconflict voor onszelf enigszins opvangen. Door keihard te werken aan groei en concurrentievoordeel. Net zoals na de tweede wereldoorlog, achteraf. Maar dan nu vooraf, vóór potentieel nader onheil.

Dé twee succesfactoren van groei en (weder-)opbouw zijn een sterke rechtstaat en verbonden innovatiekracht. Daarvoor hebben we respectievelijk lieden en leiders nodig. Staatslieden die staatsrechtelijk zuivere governance handhaven. En business-leiders die als een choreograaf de transities  voor economische, sociale en ecologische groei te lijf gaan. Zoals toentertijd de combinatie van premier Willem Drees en KLM topman Albert Plesman. Samen zorgden zij, geholpen door anderen, met een gezond narratief, voor stabiliteit en toekomst.

Ook later in de tijd is focus van het bedrijfsleven de motor geweest achter groei. Oud Shell topman Frans Wagner werkte in de tachtiger jaren aan een industrieel topklimaat. En recent kwam ASML topman Peter Wennink met integrale plannen die een systeemcrisis kunnen voorkomen en zorgen voor duurzame groei.

Executie van goede plannen kan alleen in en met een samenleving die verbonden is. En daarvoor moeten we ook gebonden zijn. Gebonden aan de zuivere principes van onze democratische rechtsstaat. Thorbeckes trias politicas en de scheiding van kerk en staat geldt daarin principieel voor eenieder. Dat lijkt in onze multiculturele samenleving geen overdreven luxe. Laten we elkaar tolereren in geloof en opvattingen maar onze keuzes democratisch maken. We hebben staatslieden nodig om onze gefragmenteerde parlementaire democratie duurzaam te verbinden.

Om de diverse uitdagingen van vandaag het hoofd te bieden is ons land te verdeeld. Laat staan de EU. Natuurlijk moeten we onze invloed blijven aanwenden om een derde wereldoorlog te voorkomen. Tegelijkertijd zoeken we de combinatie van staatslieden en business-leiders, a la Thorbecke, Drees, respectievelijk Plesman, Wagner en Wennink, en geven hen mandaat. Juist nú al, voorkomen is beter dan genezen.

 

Deze column is geïnspireerd op een interview Mr Willem Stevens, ’s lands oudste advocaat, opgetekend in Het Financieele Dagblad van zaterdag 4 april jl.

‘Zolang ‘de mens’ leeft delegeren we al taken aan (technologische) systemen buiten onszelf. Van boekdrukkunst tot landbouwwerktuigen tot computers. Dat bevordert onze vrijheid en economische groei. Tegelijkertijd stelt het ons voor ethische vragen over ongelijkheid en autonomie. Met de komst van generatieve AI gaat die autonome ontwikkeling sneller dan ooit. Én gaan we hierin ongemerkt over een scheidslijn: die van wederkerigheid. Zijn routines te stoppen of terug te draaien of onomkeerbaar? Waar ligt de grens tussen mens en machine? Die vraag daagt ons uit onze bedrijfs-governance versneld door te ontwikkelen.

Met zgn ‘LAWS’ (Lethal Autonomous Weapon Systems) op het slagveld, zelfsturende auto’s, voorspelmodellen, etnisch profileren en AI-bots die klantafhandeling volledig automatiseren,…, ligt de roep om instituties en AI-waakhonden voor de hand. Toch kan wetgeving als de EU AI-act en de General Data Protection Regulation de technologische ontwikkeling onvoldoende bijbenen. Bedrijven zullen dus zelf de governance van autonome algoritmes ter hand moeten nemen. Met snelheid, want waar deze technologie exponentieel groeit kunnen lineaire governance processen onvoldoende verantwoording afleggen.

Allereerst kijken we vanuit verantwoording naar de principiële grenzen. Eenvoudig. Verantwoordelijkheid is niet uit te besteden. Verantwoording is waar zeggenschap ligt. De radioloog blijft verantwoordelijk voor de diagnose, hoezeer hij/zij ook mag vertrouwen op dubbel uitgevoerde, foutloze AI systemen. Een ander krachtig voorbeeld over verantwoordelijkheid zagen we bij Anthropic, het bedrijf achter zoekrobot Claude. Conform hun ‘constitution’ weigeren zij bij te dragen aan technologie voor ‘unstopable’ wapensystemen. We zien ethische codes wel eens verwateren als de winst onder druk komt te staan, ethiek is een psychologisch proces. Hun moedige, verantwoorde daad verdient dus navolging.

Vervolgens hebben we in het AI-tijdperk onze governance-processen te versnellen. Hoogleraar Global ICT Law, Lokke Moerel, heeft goede beginselen opgesteld om te komen van periodieke compliance naar real-time monitoring. Zij noemt onder meer ‘anticipatory governance’ als model van de toekomst van toezichtstructuren, met bijvoorbeeld een interne AI-ethics board als uitvoerend orgaan. Governance ontwikkelt zich zo van periodieke, terugkijkende audits naar actueel inzicht en permanente controle. De governance moet dezelfde snelheid hebben als het systeem zelf.

Het geijkte governance-proces van beeldvorming, oordeelsvorming, besluitvorming, executie en leren (B.O.B.E.L) kunnen we uitgerekend met diezelfde AI-technologie versnellen! Voorbeelden daarvan zijn systemen die continu algoritmen monitoren op bias, drift, anomalieën en onverwachte uitkomsten (AI-for-AI auditing). Ook kunnen multidisciplinaire datastromen bestuurders live inzicht geven in systeemgedrag (real-time-risk-dashboards).

Verder zijn verbeteringen door te voeren door simulaties van algoritme-updates vóór implementatie (digital twins) en door ingebouwde kill-switches met heldere escalatielogica. Maar denk ook aan sectorgewijze controle bij elkaar. Dat klinkt onnozel, maar elkaar controleren in de strijd tegen schadelijke autonome eenheden weegt echt op tegen concurrentievoordeel.

Door de AI-power zal de grens tussen mens en machine weer wat verschuiven. ‘With great power comes great responsibility’; daarom heeft AI counterveiling power nodig. AI-tegenspraak! Uitgerekend door de inzet van AI kán ook governance zich sneller ontwikkelen. En met een intensieve dialoog hierover kunnen we verantwoordelijkheid als een onwrikbaar uitgangspunt handhaven. ‘De mens’ blijft in charge van de eigen, morele vorming.

 

 

(illustratie: beeld Jaume Plensa, ‘Echo’, Madisonsquarepark, 2011. Foto: James Ewing)

Bij het Olympisch schaatsen was het weer goed te zien. De beste uitslagen ontstaan wanneer tegenstanders zich aan elkaar optrekken. Femke Kok had in haar 500 meter veel aan de strijd tegen de Amerikaanse Erin Jackson. Bij de mannen 1500 meter stuwden Zhongyan, Stolz, Nuis en Wennemars elkaar op, zelfs zo dat ze alle vier een Olympisch record schaatsten. Bij veel sporten ontstaan betere prestaties door elkaar uit te dagen. Je maakt elkaar beter. Competitie dwingt, het zorgt voor vooruitgang.

In ons normale leven is dat ook zo, Maar competitie is in Nederland al snel iets ‘vies’. Sociaal aangepast zien we in het winnen van de een vooral het verdriet van de verliezer. Daar moeten we vanaf. Dat zeg ik uit ervaring. Ik heb grote professionele lol beleefd aan het (in-)richten van teams voor hun topprestatie. Veel Turner collega’s zijn gaan planeren, zoals we dat noemden. Sneller / beter gaan dan je tot dan toe op eigen kracht kon. Planeren is als de weg die zich automatisch baant. Met hoge snelheid en veel druk smelten hindernissen als sneeuw voor de zon. Door in te stappen, te durven. En, vooral, door elkaar te inspireren en prikkelen met eerlijke feedback. De wil van verbetering.

De prachtige film ‘Coach Carter’ (2205), gaat over coach Ken Carter en z’n basketbalteam op Richmond Highschool. De scholieren verkiezen drugs en andere verleidingen boven sport of studie. Het gevecht om discipline wint de coach aanvankelijk met harde hand. Totdat blijkt dat de studieresultaten alsnog achterbleven. Een ‘nogo’. Hij verkiest dit keer een zachte benadering en vraagt de spelers naar hun diepste angsten. Het levert hen het bewustzijn op dat ze er toe doen. En dus al de af-/verleidingen niet nodig hebben. Ze mogen uitblinken, én in studie, én in sport, én in leven. De mooiste dialoog, vrij vertaald: “onze diepste angst is niet om ontoereikend te zijn, maar om het onmogelijke te bereiken” *1. Waarna de jongens de basketbalfinale verliezen, maar als mens winnen. “Sir, I wanna say thank you, you saved my life”, zegt de aanvoerder in een muisstille kleedkamer.

Het is dát wat Leerdam, Kok, Nuis, Velzeboer, Rijpma, Bergsma, Van’t Wout,…, en alle andere toppers doen. Elkaar sterker maken door de beste te willen zijn. Concurrentie als iets natuurlijks. Het is dát wat bedrijven als ASML, Philips, Adyen, Apple, Microsoft en alle andere toppers doen. Elkaar sterker maken door de beste te willen zijn. Concurrentie als iets natuurlijks. Waarom is willen winnen in veel sectoren dan ‘not done’? Is het de angst te verliezen of durven we ons talent niet aan? Houden we ons klein zodat anderen zich niet gekleineerd voelen? *1 Het levert een zesjescultuur waarin de middelmaat regeert. En dat is niet wat we ten diepste willen, kijk maar hoe trots we genieten van ‘onze’ Olympische helden.

Dit is geen pleidooi voor sterallures of tegen spelplezier2) . Het gaat over de keuze ergens vol voor te gaan. Laat zien wat je in huis hebt. Verliezen is niet erg, niet willen winnen wel. ‘Planeren’ is elkaar beter maken. Dat doen alleen de besten.

 

 

*1) dialoog: “onze diepste angst is niet om ontoereikend te zijn, maar om het onmogelijke te bereiken. Het is onze kracht (het licht) en niet onze zwakte (schaduw) waar we het meest bang voor zijn. We houden ons klein voor anderen, zodat zij zich dan minder klein voelen. Maar iedereen mag talent ten volle leven. Als we ons talent inzetten geven we onbewust anderen ook de kans hetzelfde te doen. Onze vrijheid bevrijdt anderen”.  Zie ook hier: https://www.instagram.com/reel/DUBZEZ1Cq0t/?igsh=MTZ4YnV4ZnBkMmE4cg==

2) dit pleidooi gaat niet over sport voor jongste jeugd of recreatieve sport